Wat is Expliciete Directe Instructie, uit welke lesfasen bestaat het, wat betekenen al die termen, en klopt de kritiek? Hieronder vind je het volledige antwoord, geschreven vanuit de Vlaamse onderwijspraktijk door gecertificeerde EDI-trainers.
EDI is een lesmodel waarbij de leerkracht de leerstof stap voor stap uitlegt en voordoet, voortdurend controleert of alle leerlingen mee zijn, en leerlingen pas zelfstandig laat werken wanneer ze aantoonbaar klaar zijn.
Het model bestaat uit negen lesfasen en vier instructietechnieken. Het uitgangspunt is dat élke leerling de leerstof kan beheersen, op voorwaarde dat de instructie helder, systematisch en doelgericht is. EDI is geen methode die je aankoopt en geen leerplan: het is een manier om je les op te bouwen, bruikbaar bij elk vak en naast elke bestaande methode.
EDI staat voor Expliciete Directe Instructie.
In het Engels heet het model Explicit Direct Instruction, ontwikkeld door John Hollingsworth en Silvia Ybarra. Marcel Schmeier maakte de Nederlandse bewerking, uitgegeven bij Uitgeverij Pica onder de titel Expliciete Directe Instructie 2.0. Voor het secundair onderwijs bestaat een aparte uitwerking, Expliciete Directe Instructie in het VO. Alle bronnen vind je op onze bronnenpagina.
John R. Hollingsworth en dr. Silvia E. Ybarra, oprichters van DataWORKS Educational Research in Californië.
Ze richtten DataWORKS op in 1997 en ontwikkelden EDI door les te geven in en mee te kijken bij meer dan 25.000 klassen. Ze combineerden de sterkste elementen uit bestaande vormen van directe instructie met een eeuw onderwijsonderzoek, onder meer van Rosenshine, Marzano en Sousa, aangevuld met hun eigen veldwerk.
Ybarra begon als leerkracht fysica en scheikunde, werd directeur en later assistent-superintendent. Ze kwam als kind uit El Salvador naar de Verenigde Staten zonder Engels te spreken en behaalde uiteindelijk een doctoraat in de onderwijskunde. Dat verklaart mee waarom EDI uitdrukkelijk ontworpen is om ook te werken voor anderstalige leerlingen.
Marcel Schmeier maakte de Nederlandstalige bewerking. Meer over de auteurs staat op onze bronnenpagina.
EDI bouwt voort op het klassieke DI-model en voegt er twee dingen aan toe: de kleine lesafsluiting en het systematisch controleren van begrip bij élke leerling.
De kleine lesafsluiting is een expliciet controlemoment vóór de zelfstandige verwerking. Zonder dat moment gaan leerlingen alleen aan het werk met een fout die zich vastzet, en die krijg je er later veel moeilijker weer uit. Het controleren van begrip vervangt onbetrouwbare signalen (knikkende hoofden, opgestoken vingers) door technieken die je van iedereen informatie geven.
Nee. Bij frontaal onderwijs praat de leerkracht en luisteren de leerlingen. Bij EDI zijn de leerlingen de hele les door actief bezig.
Ze schrijven op wisbordjes, verwoorden denkstappen, krijgen denktijd en worden willekeurig aangeduid. De leerkracht is voortdurend aan het aftoetsen. De centrale vraag in een EDI-les is niet "heb ik het uitgelegd?" maar "hebben zíj het geleerd?". En dat verschil verandert de hele les.
Nee. EDI is een lesmodel, geen methode en geen leerplan.
Je blijft met je bestaande handboeken en leerplandoelen werken; je geeft de les alleen anders vorm. Dat is meteen de reden waarom EDI zo breed inzetbaar is: bij wiskunde, taal, wereldoriëntatie, techniek of Frans, en naast eender welke methode.
Voor het kleuteronderwijs, het lager onderwijs, het secundair onderwijs en het buitengewoon onderwijs.
Het model is het sterkst ingeburgerd in het basisonderwijs, maar er bestaat een aparte uitwerking voor het secundair. De lesfasen blijven dezelfde; de invulling verschilt. In het secundair werk je met langere instructiestukken, meer aandacht voor vakspecifieke denkstappen en het expliciet maken van vakjargon.
Het officiële model telt negen lesfasen, plus vier instructietechnieken die door de hele les heen lopen.
Online kom je ook "acht lesfasen" of "tien stappen" tegen. Dat komt doordat sommige bronnen fasen samenvoegen (bijvoorbeeld verlengde en verrijkte instructie als één differentiatiestap), of de technieken meetellen als aparte stap. Wij houden de negen fasen aan zoals ze in EDI 2.0 en op directeinstructie.nl benoemd worden.
Een lesdoel is één concreet, zichtbaar geformuleerd doel in leerlingentaal, dat aan het begin van de les op het bord staat en klassikaal wordt voorgelezen.
Bijvoorbeeld: "Ik kan een breuk vereenvoudigen." Zo weet iedereen (leerkracht én leerling) waar de les naartoe gaat en waarop op het einde gecontroleerd wordt. Een les zonder benoemd doel is een activiteit zonder bestemming.
Voorkennis activeren is een korte, gerichte opdracht die precies díe kennis ophaalt die de leerling straks nodig heeft.
Het is dus geen algemene babbel over het onderwerp. Wie breuken gaat vereenvoudigen, herhaalt eerst de tafels en de deelbaarheid. Door de juiste voorkennis actief te maken, hoeft het werkgeheugen er tijdens de nieuwe uitleg geen capaciteit meer aan te besteden.
Tijdens de instructie maak je eerst het concept helder en leer je daarna de vaardigheid aan, waarbij je hardop denkend voordoet hoe je te werk gaat. Dat voordoen heet modelleren.
Concept vóór vaardigheid: leerlingen die weten wat iets is, onthouden veel beter hoe het moet. Je werkt met een definitie, voorbeelden én tegenvoorbeelden. Bij het modelleren spreek je je denkstappen uit: "Ik kijk eerst naar de noemer. Kan ik daar door delen? Ik probeer 2…". Zo krijgen leerlingen toegang tot het denken van een expert, niet alleen tot het resultaat.
Begeleide inoefening is de fase waarin leerkracht en leerlingen de opgaven samen maken, waarbij de steun stap voor stap afneemt.
Je gaat van "we doen het samen" naar "doe jij het, ik kijk mee". Ondertussen blijf je controleren: na elke opgave gaan de wisbordjes omhoog. Deze fase wordt in de praktijk het vaakst overgeslagen. En dat is precies waarom leerlingen daarna vastlopen bij het zelfstandig werk.
De kleine lesafsluiting is het scharniermoment waarop je beslist of de klas klaar is om zelfstandig verder te werken.
Je stelt een of twee controlevragen die iedereen beantwoordt. De vuistregel: pas loslaten wanneer ongeveer 80% van de klas de leerstof aankan. Haal je dat niet, dan herhaal je met een ander voorbeeld. Dit is de fase die EDI onderscheidt van klassieke directe instructie, en meteen de belangrijkste bescherming tegen fouten die zich vastzetten.
Pas na de kleine lesafsluiting gaan leerlingen alleen aan de slag, met opgaven die sterk lijken op wat ze net samen met jou deden.
Doordat je vooraf gecontroleerd hebt, weet je dat ze het aankunnen. Daardoor heb jij tijdens deze fase je handen vrij voor de leerlingen die meer nodig hebben.
Verlengde instructie is een tweede ronde uitleg voor wie nog niet mee was; verrijkte instructie is een extra denkstap voor wie de leerstof vlot beheerst. Beide werken naar hetzelfde lesdoel.
Verlengde instructie (fase 7) gebeurt aan de instructietafel: kleinere stappen, meer voorbeelden, meer sturing. Verrijkte instructie (fase 8) is uitdrukkelijk geen "meer van hetzelfde", maar een opdracht die verdieping vraagt: uitleggen waaróm het werkt, een tegenvoorbeeld bedenken, de regel toepassen in een nieuwe context.
Dat is het wezenlijke verschil met differentiëren in niveaugroepjes: bij EDI leren zwakkere leerlingen niet mínder, ze krijgen meer steun om hetzelfde te bereiken.
Bij de grote lesafsluiting keer je terug naar het lesdoel en ga je na of het gehaald is, meestal met een korte exit-opdracht.
Twee vragen volstaan. Je weet daarmee meteen wie er morgen extra begeleiding nodig heeft, in plaats van dat pas bij de toets te ontdekken.
Naast de negen lesfasen kent EDI vier instructietechnieken. Die zijn géén aparte fase: ze lopen door de hele les heen, van het lesdoel tot de grote lesafsluiting.
Controleren van begrip is nagaan of élke leerling de leerstof beheerst, in plaats van af te gaan op wie spontaan zijn vinger opsteekt.
De klassieke signalen zijn onbetrouwbaar: knikkende hoofden, opgestoken vingers, of "zijn er nog vragen?". EDI vervangt die door technieken die je van iedereen informatie geven:
De vuistregel: pas verder wanneer ongeveer 80% van de klas het aankan.
Feedback die benoemt wát er goed of fout was, niet alleen dát het goed of fout was.
Dus niet "goed zo", maar: "Klopt, want je hebt eerst gekeken of de teller deelbaar is." Bij een fout antwoord keer je terug naar de denkstap waar het misging, in plaats van het antwoord snel weg te wuiven en verder te gaan met iemand anders.
Belangrijke kennis komt bewust terug, verspreid over de tijd, zodat ze beklijft.
Wat je maar één keer ziet, ben je een week later grotendeels kwijt. Herhaling hangt samen met automatiseren: wie tafels, klanken of spellingregels vlot beheerst, houdt werkgeheugen over om te redeneren en te begrijpen.
Activeren betekent dat iedereen voortdurend iets dóét: schrijven, verwoorden, tonen of aanwijzen.
Een leerling die alleen luistert, is voor jou onleesbaar (je weet niet of het binnenkomt) en haakt bovendien sneller af. Hoge betrokkenheid is daardoor ook een klasmanagementinstrument: minder wachttijd betekent minder ruimte voor storend gedrag.
De termen die in een EDI-vorming vallen, kort uitgelegd.
| Term | Wat het betekent |
|---|---|
| Activeren | Instructietechniek waarbij elke leerling voortdurend iets doet: schrijven, verwoorden, tonen. |
| Automatiseren | Basisvaardigheden zo vlot maken dat ze geen denkruimte meer kosten (tafels, klanken, spellingregels). |
| Begeleide inoefening | Lesfase 4: leerkracht en leerlingen maken samen opgaven, waarbij de steun geleidelijk afneemt. |
| Controleren van begrip | Instructietechniek om van élke leerling na te gaan of ze de leerstof beheerst. |
| Denktijd | De seconden tussen het stellen van een vraag en het noemen van een naam, zodat iedereen nadenkt. |
| Exit-opdracht | Korte opdracht van één of twee vragen op het einde van de les, om te zien wie het doel haalde. |
| Formatief handelen | Meten tíjdens de les om te kunnen bijsturen, in plaats van pas achteraf te evalueren. |
| Grote lesafsluiting | Lesfase 9: terugkeren naar het lesdoel en controleren of het gehaald is. |
| Instructietafel | Vaste plek in de klas waar de verlengde instructie in kleine groep plaatsvindt. |
| Kijkwijzer | Observatie-instrument met de lesfasen en technieken, gebruikt bij lesobservaties en co-teaching. |
| Kleine lesafsluiting | Lesfase 5: controlemoment vóór de zelfstandige verwerking. Het onderscheidende kenmerk van EDI. |
| Lesdoel | Lesfase 1: één concreet doel in leerlingentaal, zichtbaar en klassikaal voorgelezen. |
| Modelleren | Hardop denkend voordoen hoe je een opgave aanpakt, zodat leerlingen de denkstappen horen. |
| Tegenvoorbeeld | Een voorbeeld van wat iets níét is, om de grenzen van een begrip scherp te stellen. |
| Verlengde instructie | Lesfase 7: tweede ronde modelleren voor wie nog niet mee was, in kleinere stappen. |
| Verrijkte instructie | Lesfase 8: opdracht met een extra denkstap voor wie de leerstof vlot beheerst. |
| Voorkennis activeren | Lesfase 2: gericht ophalen van precies die kennis die straks nodig is. |
| Werkgeheugen | Het beperkte deel van het geheugen waarin je actief informatie verwerkt; snel overbelast. |
| Willekeurige beurten | Namen trekken in plaats van vingers kiezen, zodat iedereen betrokken blijft. |
| Wisbordje | Klein whiteboard waarop alle leerlingen tegelijk antwoorden, zodat je de hele klas in één blik leest. |
Ja, al is het model in Nederland eerder ingeburgerd geraakt.
De meeste boeken, websites en nascholingen over EDI komen uit Nederland, waardoor je in de literatuur voortdurend Nederlandse onderwijstermen tegenkomt. In Vlaanderen groeit de belangstelling snel, onder meer via professionaliseringsinitiatieven en scholen die met leerplandoelen en klasscreening aan de slag willen.
Wij geven onze vormingen in Vlaanderen en vertalen de voorbeelden, terminologie en materialen naar de Vlaamse context.
De lesfasen heten overal hetzelfde; het zijn vooral de omringende onderwijstermen die verschillen.
| In Nederlandse bronnen | In Vlaanderen |
|---|---|
| Groep 1 tot en met 8 | 3de kleuterklas tot en met 6de leerjaar |
| Basisonderwijs (PO) | Basisonderwijs: kleuter- en lager onderwijs |
| Voortgezet onderwijs (VO) | Secundair onderwijs |
| Speciaal onderwijs | Buitengewoon onderwijs |
| Intern begeleider (IB'er) | Zorgcoördinator |
| Kerndoelen | Leerplandoelen en eindtermen |
| Schoolbegeleidingsdienst | Pedagogische begeleidingsdienst |
| Studiedag | Pedagogische studiedag |
Ja. EDI zegt niets over wát je moet aanleren, alleen over hoe je het aanbrengt.
Je lesdoelen blijven afgeleid van je leerplan. Wat EDI toevoegt, is dat je die doelen formuleert in leerlingentaal, ze zichtbaar maakt in de les, en op het einde controleert of ze gehaald zijn. Veel scholen ervaren net dáár de grootste winst: doelen die anders op papier bleven staan, worden nu in elke les zichtbaar afgetoetst.
Directe instructie is een van de best onderzochte didactische benaderingen, met consistent positieve effecten op leerresultaten.
EDI zelf is geen onderzoeksprogramma maar een praktische vertaling van bevindingen uit de cognitieve psychologie en het effectiviteitsonderzoek. De belangrijkste pijlers:
Voor leerlingen die met minder voorkennis aan de start komen.
Wie thuis veel meekrijgt, vult de gaten in een vage instructie zelf op. Wie dat niet meekrijgt, kan dat niet, en raakt bij impliciet onderwijs steeds verder achterop. Expliciete instructie maakt precies datgene zichtbaar wat anders onuitgesproken blijft. Daarom wordt EDI vaak besproken in de context van kansengelijkheid.
Nee. Hattie's werk wordt vaak aangehaald, maar de onderbouwing van EDI steunt op een bredere basis.
Er is terechte methodologische kritiek op de manier waarop effectgroottes in Visible Learning zijn samengevoegd. Die kritiek raakt de kern van EDI niet: de cognitieve belastingstheorie en het onderzoek naar leerkrachtgedrag staan los van Hattie's synthese. Wie EDI verdedigt met alleen een effectgrootte, verdedigt het zwak.
De kritiek op EDI is reëel en verdient een eerlijk antwoord. Een deel ervan raakt hout; een ander deel gaat over een verkeerde toepassing van het model.
Ja, maar in een aangepaste vorm, en de zorg achter deze vraag is terecht.
In de kleuterklas vertaalt EDI zich naar korte instructiemomenten van enkele minuten, met veel voordoen, meedoen en herhaling, ingebed in spel en hoekenwerk. Kleuters langdurig stil laten zitten voor een instructieblok is géén EDI, dat is een verkeerde toepassing ervan.
De discussie over directe instructie in het kleuteronderwijs wordt in de vakliteratuur stevig gevoerd. Wie ons vraagt om EDI in de kleuterklas, krijgt van ons dus ook te horen wáár de grenzen liggen.
Dat hoeft niet: het model voorziet daar expliciet in met de verrijkte instructie (fase 8).
Bij goed uitgevoerde EDI gaat het instructiedeel bovendien vlotter, waardoor er meer tijd overblijft voor verdieping. De valkuil is verrijking invullen als "meer oefeningen van hetzelfde". Dat werkt niet, en dat is ook niet wat het model vraagt.
Ja, en in de praktijk zelfs meer, zodra de basis stevig staat.
Open opdrachten, onderzoek en projectwerk mislukken vaak niet omdat de opdracht slecht was, maar omdat leerlingen struikelen over basisvaardigheden die nog niet zaten. EDI is niet bedoeld als het enige wat je doet; het is bedoeld om de basis zo stevig te maken dat het andere werk kán slagen.
De fasen liggen vast, de invulling niet.
Hoe je modelleert, welke voorbeelden je kiest, hoe je activeert en hoe je een fout antwoord aanpakt. Dat blijft vakmanschap. Wat het model wegneemt, is de vrijblijvendheid over de vraag of je gecontroleerd hebt of iedereen mee is. Weerstand tegen EDI komt vaak voort uit het gevoel dat iemands vakmanschap in vraag wordt gesteld; daar besteden we in onze vormingen bewust aandacht aan.
Het tegendeel is de bedoeling: in een EDI-les is elke leerling permanent aan het werk.
Wel is het een reëel risico dat steun blijft hangen als ze niet bewust wordt afgebouwd. Stappenplannen, woordkaarten en voorbeeldopgaven horen te verdwijnen zodra ze niet meer nodig zijn. Doe je dat niet, dan creëer je afhankelijkheid. En dat is een terecht punt van kritiek op slordig uitgevoerde EDI.
Een onderwijsadviseur die door Marcel Schmeier is opgeleid om nascholingen te geven bij zijn boeken, herkenbaar aan de EDI-badge.
Deze trainers beschikken over de officiële presentaties en materialen bij de boeken en kunnen voorbeeldlessen geven. Sandrine de Coster en Lucas Hermans van Bijleren volgden daarvoor de meerdaagse trainersopleiding in Utrecht. Meer daarover op de bronnenpagina en bij onze sprekers.
Meestal met een keynote of een studiedag, en pas daarna met opvolging in de klas.
Een studiedag alleen blijkt in de praktijk zelden te blijven hangen. Wat het verschil maakt, zijn de lesobservaties en demolessen die erop volgen. Op onze ondersteuningspagina vind je de vijf bouwstenen en de volgorde waarin ze elkaar het sterkst versterken.
Ja, via een open workshop bij Bijleren in Leuven.
Je hoeft dus niet te wachten tot je school een traject opstart. Het volledige aanbod staat op de opleidingenpagina.
Expliciete Directe Instructie 2.0 voor het basisonderwijs, Expliciete Directe Instructie in het VO voor het secundair.
Beide verschenen bij Uitgeverij Pica. Op onze bronnenpagina staan de auteurs, de achtergrond en waar je de officiële materialen en gratis downloads vindt.
Ja, maar het is een ander traject dan voor een school die begint.
Bij beginnende scholen gaat het over het model leren kennen. Bij gevorderde teams gaat het over de moeilijkere vragen: differentiatie die verder gaat dan de instructietafel, vakspecifieke toepassing in het secundair, leerlijnen herontwerpen, interne coaches opleiden, en borgen dat één personeelswissel geen jaren opbouw wegveegt.
Op onze pagina voor scholen vind je de drie niveaus (starten, verdiepen, innoveren) met wat er per niveau zinvol is.
Ja. Digitale tools kunnen het herhalen, automatiseren en zelfstandig verwerken overnemen, zodat de leerkracht tijd vrijmaakt voor verlengde instructie.
Wat software níét kan, is de instructie zelf geven: modelleren en het controleren van begrip tijdens de les blijven mensenwerk. Een tool die dat belooft, laat je beter links liggen.
Bijleren ontwikkelt eigen apps die op die lesfasen aansluiten: Woordenschat.be (van klanken naar woorden naar teksten), Reken.club (hoofdrekenen automatiseren), LetterLezer (van klank tot woordniveau), Tafelvierkant.be, Kleuterdidactiek.be (de minimumdoelen als leerplatform) en Bijleer.school. Welke tool bij welke lesfase past, staat op de ondersteuningspagina.
Stel ze gerust. We antwoorden doorgaans binnen één werkdag.
Mail naar info@bijleren.eu of gebruik het contactformulier. Goede vragen belanden hier daarna vaak bij.
Deze pagina brengt je een heel eind. De vertaling naar jouw klas maak je het snelst samen met iemand die het al honderd keer deed.